Armringen (Manilla’s)
In de 18de eeuw draait het in Nederland om handel. Daarvoor is geld nodig, veel geld. Koperhandelaar Daniel Mitz stort zich met hulp van de kopermolen in Klarenbeek op de productie van duiten voor de Verenigde Oostindische Compagnie. Dat blijkt een succes.
Om ook een graantje mee te pikken van de handel in de West laat Mitz in Klarenbeek geelkoperen armringen maken. Armringen – of manilla’s – zijn een betaalmiddel dat vooral populair is bij Afrikaanse slavenhandelaren.
Mitz weet de armringen te slijten aan de Middelburgse Commercie Compagnie, een Zeeuwse handelsonderneming die actief is in de trans-Atlantische slavenhandel. De directie is niet enthousiast over de kwaliteit, maar wil het wel een keer proberen.
De eerste armringen uit Klarenbeek vertrekken op 10 augustus 1742 naar Afrika met het fregat Raadhuis van Middelburg. Aan de westkust van Afrika doet het schip verschillende plaatsen aan om de goederen uit het ruim te ruilen voor mensen. Zo koopt de kapitein op eerste kerstdag in Kaap Lahou aan de Ivoorkust een volwassen vrouw. Hij betaalt met kaurischelpen, buskruit, textiel, koperen bekkens, een geweer en 7 pond armringen. Totale waarde: 70 gulden.
Uiteindelijk belanden er 251 slaafgemaakten in het ruim van het Zeeuwse schip. Vijfentwintig van hen bezwijken tijdens de overtocht naar Suriname.
