In de 17de en 18de eeuw is er op de Veluwe volop bedrijvigheid. Zo’n tweehonderd watermolens met verschillende functies staan verspreid over het hele gebied. Papier, maar ook olie, zeem, lakenstof, hout en koper, het wordt allemaal op de Veluwe gemaakt. Deze vroege industrie trekt veel migranten aan, handwerkslieden op zoek naar werk, meestal vanuit Duitsland.
Ook bij de kopermolen van Pluijm komt zo’n migrant binnen. De jonge Johannes Richardtus Gröpl is afkomstig uit Oostenrijk. Daar is hij opgegroeid in Steyr, een stad met een bloeiende handel in ijzer, en ijzeren producten zoals messen, spijkers, sikkels, zeisen en pannen.
Vader Hans Wolfgang Gröpl is pannensmid en heeft zijn eigen hamermolen. Én hij is muzikant. Samen met een kopermolenaar en twee messenmakers heeft hij een koperkwartet dat optreedt bij bijzondere gelegenheden.
Dan verkoopt hij zijn bedrijf, al blijft hij er wel werken. Ook muzikant is hij nog steeds. Het koperkwartet heeft een goede reputatie en mag zelfs voor de keizer spelen wanneer die de stad bezoekt. Een hele eer.
Nu het familiebedrijf verkocht is en de economie ook nog eens in een dip belandt, besluit zoon Johann Richard op reis te gaan op zoek naar werk. De Veluwe met zijn vele watermolens is voor een jonge gezel in de metaalbewerking dan wel een logische keuze.